Herfstcantate

Voorzichtig aait de zon zijn stralen
langs een natgevlekte stam,
de zomer die al weg was
sluipt terug
door heimwee overmand.

Het leven was aan het verdwijnen
in harde takken, wortels
knollen, in het zaad zoals
de zee bij afgaand tij in het zand;
de inktzwam strekte onbedreigd
zijn vuile witte vingers
uit het koude gras, maar aarzelt
waar nu weer wat zonlicht landt;
de roodverbrande bladeren
die verdrogend krulden,
blijven hangen om het licht
te vangen in hun gouden hand.

Onwennig door de zon beschenen
glimt het half ontklede leven
druipend van de koude nacht
vandaag van herfstverval ontheven,
sterke lucht, maar zonder kracht
geen groei meer, slechts een groet
aan de geconserveerde pracht
die opgeslagen wachten moet.

In alle nissen en kapellen
van de najaarskathedraal
wordt voor het laatst gezongen
van het zomerideaal
dat gisteren gestorven is:
een herfstcantate,
afscheidsmis.

uit 'Het vijfde seizoen' (2007)

Home button